terug naar gedichten
ingezonden
gedichten
|
|
Communicatie Boom, zegt hij
Wat boom, waar boom?
Boom.
Zijn handen tekenen met korte boogjes
een cirkel in de lucht
en vallen loodrecht
op het tafelblad. Boom.
Mijn handen gaan loodrecht
vanaf het tafelblad
de lucht in en tekenen een cirkel
met korte boogjes. Boom.
Hij lacht, ha ha, ja boom.
Maar hoezo boom, vraag ik.
Het is een woord, zegt hij.
Ja, boom, zeg ik, het is een woord.
Alleen gedacht, zegt hij,
is het woord alleen voor mij
boom
en zonder dit, zegt hij
- met beide handen tekent hij
weer een boom –
is het alleen een woord.
Een boom is een boom, zeg ik.
Wat boom, waar boom, vroeg je,
zegt hij, het woord alleen
is niet genoeg. Stel je voor
dat ik de hele avond
dat wij hier bijeen zitten alleen
boom zeg. Alleen boom
en niet meer.
Geen cirkel, vraag ik.
Nee, alleen boom.
Ik sta op, ik loop de tuin in en
omhels, met beide handen
de eerste de beste boom.
Ik hoor hem fluisteren en denk
hij zal wel boom zeggen.
|
vaar aan, mijn lief!
de zee, de lucht, de horizon
de onmetelijke afstand
tot het licht, en daar
ik wil jouw schaduw in de golven
aan de kade van de dag
daar wacht ik je
je bent zo daar, omzeilend
de kustloze einder
waarop ik je waan
mijn oor, mijn hand, een schelp
een golf die zich ruist
hoor ik je?
tot
daar een stip, een silhouet!
- zo klein als ik het zie,
zo groot moet het zijn,
daar –
vaar aan, mijn lief, vaar aan!
mijn oog bespeurt verblind
een druppel oogvocht
in het brandpunt
van de stervende dag
nog wacht ik je
daar
waar jij bloedend ondergaat
bij kant noch wal
in schaduwloze golven
Voorgedragen tijdens de
Literaire Tippelzone 2008, Curaçao
(bedacht door Charlotte Doornhein)
|
|
terug naar boven
©
Femia Cools |