P O Ë Z I E  van de  B e n e d e n w i n d e n
gedichten, haiku en links

Caribische gedichten
Gedichten
Sounds from the New World
Site van Hanni Mettz en Femia Cools

Curaçao

Wandelen in het wit


 

 

 
Caribische gedichten
  



Caribische gedichten

 


inzendingen
van gedichten en haiku zijn zeer welkom!
I
nzenden kan hier  (A vervangen door @)
Ingezonden Gedichten
 

balverlies

vorig jaar nog
speelde zij met de kinderen mee
op blote voeten
trappen
tegen de zachte bal

ze voelde zelfs even de opwinding
van vroeger
van buitenspelen tot donker
en de vaart van de wind
in haar oren

ze deed slalom tussen de palmen
en een kopbal in het doel
- twee stukken koraalsteen, waarover
de kleinste speler gevallen is
zij wreef het rode knietje
en drukte honderd kusjes -
jagen, dekken, kruispassen
een passeermanoeuvre
een kromme bal
een sliding in het fijne zand
alles zonder handen

maar nu
in de greep van haar lichaam
kijkt ze toe
hoe twee vaders – de één kort en dik,
hij lacht zich kinderblij krom –
de ander lang en dun – hij rent zich
zandvoeten van zijn lijf -
met machograagte hun zoontjes
bevechten om het balbezit
zit zij
op een stuk koraalsteen

zitten blijft ze
de aanrollende bal tot vlakbij
haar lakse lijf weet
dat ze de bal niet pakken kan
eer de aanhollende man

wrijft het zand in haar ogen

 

 



maart - vliegermaand


de wind passeert de wind
in maart

je laat hem op
- met een staart van oud katoen -
over cactushagen
en de draden langs de weg

hij staat
hij trekt
je viert
hij scheert
je hebt een stukje hemel in je hand

hij maakt slagboeg
jij bent gelukkig
kijk toch, hoe fier!







 


heem

wonderlijk, zei ze, om
over je eigen maaltijd te lopen
en alert op onraad

merkwaardig, zei ze, dat
slechts een enkel hapje
hier en dan een eindje op
wordt gepeuzeld, alsof
het eten eigenlijk tot
morgen moet blijven staan

kijk, zei ze, terwijl het knabbelen
voor, maar zie achter, daar
komt het in keutels uit.


koperen ploert

wat hier nog groeien wil
giet zich in metaal
trillend op het gras
de kroonluchterschittering
die zich smoort in brons

zakkenvullende wolken
behouden hun buien
zijgen zich bedaard
in hete lucht tot niets
dat de roestplaat bereikt

de koperen ploert breekt
met glorenrood het zilt
en verzet zich op de dagen
zonder schaduw zengend
het ziegezagend blakerland

loodzwaar wachten wij
op het doven van de dag
met verlangende blikken
zien we het verzinkend goud
zich legeren in bronstig zwoel
 

 


Voorbij de vlucht

mensenschimmen
op schaduwplassen
over schuurzandwegen
in treuzelgang

stemmenwinden
van voorheen de tijd
op echomuren
uit zweetkoraal

schimmenmensen
op barrelvoeten
in hollehuizen
met schaduwslag

lommerzwemen
van stoffig leven
achter dakloze deuren
op sleurwinden

weggewaaid
voordat hun broze tijd
gekomen was


zoutpannen

zet onder de streep
het wit glinstervlak
met schuimranden
van opgeblazen zilt
de zwerfvuilwikkeling
en wind

trek midden voorlangs
het grijs wolkenlaag
met scheerlijnen
van vogels op stelten
de klotsbotsschommeling
en wind

daarboven een lijn
het blauw hemelhoog
met spanbogen
van gerende krachten
het koppend vliegerding
op wind
 
 

Bij het raam

Al de Wabi’s zonder getal zoveel
schudden hun takken op en neer
van afgeschudde regendruppels
zo lijkt het, want
geen zuchtje.
Een grijze leguaan wellicht
die jaknikkend, poot voor poot
de pika’s ontwijkend
tak voor tak loom verder trekt,
of een warawara die
even hier naar binnen keek en
ongezien verder vloog, misschien
een hagedis die water zocht
en de druppels nasprong
in het gras, want
spriet voor spriet toegevend
eventjes maar
aan mijn gedachten.
 



Schottegat

ijdele kranen
gelost van afgedankte vrachten

hun haken slingeren
het gewicht van de tijd
over resten averij

in de haven lagen nog,
ontmanteld,
naakte schepen hoog op hun roest

wiegend op stuwgolven
droomden ze
van nieuw leven na het dok

tot wreed
het zwaar slagzij,
hun uitvaart verdronk

late kranen
dromen van toen ijzerwerk
nog in argeloze wrakken
 


suikerdiefje

het suikerdiefje
pikt precies
het ene zakje

wit tussenuit vijf roze

voordat ik
mijn thee
heb gekleurd
 


bier

de jonge vader
drinkt zijn Heineken
het kindje wil de fles
pappie schudt van nee
kindje huilt
vader neemt een slok

kindje wil de fles
het gretig handje
omklemt de groene hals
vader trekt zich los
kindje huilt
kindje kruipt
bij opa op schoot
opa drinkt zijn bier
hij zet de fles
aan zijn bevende mond

kindje wil de fles
opa glimlacht
en laat het kind begaan
kindje drukt de lipjes
tegen de flessenhals

opa neemt een teug
het gretig handje
trekt aan de fles
opa houdt het bruine glas
zachtjes voor het mondje
kust de flessenhals

hij kijkt zijn zoon aan
en knipoogt
deze houdt van Amstel
zegt hij

 

terug naar boven



 
© Femia Cools
login for free hit counter
html hit counter code