|
maart - vliegermaand
de wind passeert de wind
in maart
je laat hem op
- met een staart van oud katoen
-
over cactushagen
en de draden langs de weg
hij staat
hij trekt
je viert
hij scheert
je hebt een stukje hemel in je
hand
hij maakt slagboeg
jij bent gelukkig
kijk toch, hoe fier!
|

|
heem
wonderlijk, zei ze, om
over je eigen maaltijd te lopen
en alert op onraad
merkwaardig, zei ze, dat
slechts een enkel hapje
hier en dan een eindje op
wordt gepeuzeld, alsof
het eten eigenlijk tot
morgen moet blijven staan
kijk, zei ze, terwijl het knabbelen
voor, maar zie achter, daar
komt het in keutels uit. |
koperen
ploert
wat hier nog groeien wil
giet zich in metaal
trillend op het gras
de kroonluchterschittering
die zich smoort in brons
zakkenvullende wolken
behouden hun buien
zijgen zich bedaard
in hete lucht tot niets
dat de roestplaat bereikt
de koperen ploert breekt
met glorenrood het zilt
en verzet zich op de dagen
zonder schaduw zengend
het ziegezagend blakerland
loodzwaar wachten wij
op het doven van de dag
met verlangende blikken
zien we het verzinkend goud
zich legeren in bronstig zwoel
|

|
Voorbij de vlucht
mensenschimmen
op schaduwplassen
over schuurzandwegen
in treuzelgang
stemmenwinden
van voorheen de tijd
op echomuren
uit zweetkoraal
schimmenmensen
op barrelvoeten
in hollehuizen
met schaduwslag
lommerzwemen
van stoffig leven
achter dakloze deuren
op sleurwinden
weggewaaid
voordat hun broze tijd
gekomen was |
zoutpannen
zet onder de streep
het wit glinstervlak
met schuimranden
van opgeblazen zilt
de zwerfvuilwikkeling
en wind
trek midden voorlangs
het grijs wolkenlaag
met scheerlijnen
van vogels op stelten
de klotsbotsschommeling
en wind
daarboven een lijn
het blauw hemelhoog
met spanbogen
van gerende krachten
het koppend vliegerding
op wind
|
 |
Bij het raam
Al de Wabi’s zonder getal zoveel
schudden hun takken op en neer
van afgeschudde regendruppels
zo lijkt het, want
geen zuchtje.
Een grijze leguaan wellicht
die jaknikkend, poot voor poot
de pika’s ontwijkend
tak voor tak loom verder trekt,
of een warawara die
even hier naar binnen keek en
ongezien verder vloog, misschien
een hagedis die water zocht
en de druppels nasprong
in het gras, want
spriet voor spriet toegevend
eventjes maar
aan mijn gedachten.
|
Schottegat
ijdele kranen
gelost van afgedankte vrachten
hun haken slingeren
het gewicht van de tijd
over resten averij
in de haven lagen nog,
ontmanteld,
naakte schepen hoog op hun roest
wiegend op stuwgolven
droomden ze
van nieuw leven na het dok
tot wreed
het zwaar slagzij,
hun uitvaart verdronk
late kranen
dromen van toen ijzerwerk
nog in argeloze wrakken
|
 |
suikerdiefje
het suikerdiefje
pikt precies
het ene zakje
wit tussenuit vijf roze
voordat ik
mijn thee
heb gekleurd
|
bier
de jonge vader
drinkt zijn Heineken
het kindje wil de fles
pappie schudt van nee
kindje huilt
vader neemt een slok
kindje wil de fles
het gretig handje
omklemt de groene hals
vader trekt zich los
kindje huilt
kindje kruipt
bij opa op schoot
opa drinkt zijn bier
hij zet de fles
aan zijn bevende mond
kindje wil de fles
opa glimlacht
en laat het kind begaan
kindje drukt de lipjes
tegen de flessenhals
opa neemt een teug
het gretig handje
trekt aan de fles
opa houdt het bruine glas
zachtjes voor het mondje
kust de flessenhals
hij kijkt zijn zoon aan
en knipoogt
deze houdt van Amstel
zegt hij
|
|
terug
naar boven |