| |
thuis
op deze nieuwe grond
halen onbelemmerd
verborgen huizen
en ongemeten heuvels
voor de geest
de herinnering
aan hoe het was
vanzelf, al
toevertrouwd
bij mijn eerste bezoek |
afgelegd
het pronkkleed daargelaten
gedacht nog
- bij de kapstok –
aan een andere opmaak
in het voorportaal
je armen wijd, even maar
en door je haren gestreken
is dat hoofd van jou?
je handen als lege zakken
je denkt nog
- met heimwee –
aan vertrekken, aarzel niet
je kop te verklinken
deuvelsdiep in pantserhuid
voordat je de ruimte begrenst
met donkere gordijnen
|
|
 |
balkonongepast uitgestoken
tot in de ramen van de buren
de vaalgrijze tong
met een rij gespleten tanden
die stroken met de stofplooien,
balustrade van gebroken latten
- de leuning treurt wat roest
op het kille stukje slaapaarde
tussen verveloze schuttingen
waarachter slome doeken
aan zondaglege lijnen
en het klagend fluiten
van een vergeten ketel-
meisje huivert achter het raam
een koude echo in de asemvlek
haar handje trekt een cirkel
met erin twee stippen
uit het loodgrijs lood
|
het is slechts een herinnering
de gedachte aan je stem
die over heuvels en zeeën vloog
naar andere landen toen je
vreemde vruchten proefde
en opgewonden raakte
van smekende vrouwenogen
altijd een muntstuk in je hand
het was al een herinnering
bij je krantje kopen
en kopje koffie op de hoek
toen later vroeger werd
van samen naar de bioscoop
mijn tranen en jouw zakdoek
of elkaar zonder lakens
als kinderen
mijn lach, jouw barse stem
ik hoor je tred op de tegelvloer
het ritselen van de krant
je sleutelbos
je hand op het tafelblad
hoe scherp is dat beeld
ik telde je passen op de trap
doe net als jij de witte was
bij bont en moet lachen
bij die herinnering
alsof jij straks binnenstapt
zoals je in de deuropening stond
maar
ik strijk twee lakens en één sloop
en vouw ze warm
op de jouwe
onaangeroerd
naast
de drie lege planken
in de klerenkast
waar onder in
jouw schoenen
elke avond schommel ik,
jouw stoel schommelt zachtjes mee,
is het slechts een herinnering
de gedachte aan je stem
en
het strijken van
je laatste beddengoed
|
 |
| |
honger
wie
honger put uit dode zeeën
water zoekt in zandkristal
of zonlicht trekt uit donderbuien
werpt schaduwen in grotten
wie
luchten smeedt tot hemelpoorten
ijzer kneedt met handen
en stenen boterzacht vermaalt
kan eeuwig honger stillen
|
bruggenhoofdtussen de gewonde
wortels
van uiteengereten bomen
aan rivieren zonder genade
waar een bruggenhoofd
was geslagen
op overwonnen oever
wisten wij de doden achter ons
hun resten rustten
aan de kant van de weg
bijeengeraapt
in vluchtige graven
wij wisten ze daar
ontzield
ontbonden
weggeteerd
toch marcheerden zij
temidden van onze gelederen
|
 |
 |
een gebeurtenis
ik wilde wachten
zei ze
maar wachten kon niet meer
het was gewoon
het wachten voorbij en
dat bedacht ik
later ook niet
daarom wilde ik
zei ze
vast wel, dan maar beginnen
aanvang weetjewel van
wilde weg
zonder aanloop
de hoek om
ik begon te hijgen
zei ze
joeg de hoek in tweeën
tot stilstand
met een hamer
in mijn hart
en slaande keel
het staat nog
zei ze
bijtend op haar op adem
vast wel het beeld
van de morzeling
voorbij, aan het begin
|
halte
het is een dag van geen geluid
een witte bol van stilte
het kind
maakt op de plaats een pas
als was het niet om gaan
of komen
alleen de overtuiging
uit huizen loeren bleke ogen
naar de deken op het winterbed
toch is er geen raadsel
op het plein
alleen een bord
met aankomsttijden
de mussen gewoon er tussendoor
maar wit, geen sporen na
geen tjilp laat zich lezen
beter dan de sneeuw die valt
maar niet, dan wel, in vlokken
om het kind te wissen
van de zachte ronk
die zich wacht voor die dag
|
 |
| |
leegte
in de nacht heb ik mijn veren afgelegd
en mijn veren zijn tot dons geworden
waarin ik mijn lichaam heb gelegd
en ik voelde mijn lichaam niet meer
het lag vlokkig onder de sterren
en de sterren doofden in het maanlicht
dat zacht mijn huis bescheen
en ik woonde in een lege kamer
de nacht was wit
|
mijn ruimte
ik heb geen angst voor leven
en ook niet voor de dood
het stoort me niet dat
anderen mijn ruim bevolken
de wereld die ik met ze deel
is toch deels aan mij gegeven
ik ben een kruipsel zonder poten
of ik zet mijn beentje voor
het is mijn eigen overleven
dat mij door de dalen haalt
dat me laat beleven en
mijn reizen waarheen bepaalt
de vrije keuze niet te zijn
of overtuigd aanwezig
een berg overstag te gaan
te vriezen of te dooien
het is mij alles om het even
mijn angst is voor het beven
dat ongetwijfeld zal bestaan
wanneer ik in mijn ruimte
mezelf tegemoet zal gaan
|
 |
 |
onthaalop het kille marmer
- een oude koffievlek –
loop je op je sokken
omdat de bel gaat
naar de deur
je kijkt
winterschouders, das
niet opendoen, het is
je duwt de deur op vriestocht
- sneeuwvocht op de mat -
wat moet je?
- zijn vuile schoenen –
winterkraag, hoed
niet binnenlaten, het is
je zucht,
loop je terug met natte stappen
je moet wel
jas uit, winterhanden
vegen druppelijs
uit zijn baard of tranen
verlegen om
hij komt alleen maar
op de koffie
|
oud opnieuw
het schroeft en kraakt
splijt vlees van bot
geen olie maar vel over been
roerbak zonder hengsels
op het vuur
schroeit het lijf van leden
de pijn op haar gelaat
groeft zich in verzet
tegen noodlotberusting
in herinnering de stilte
doorheen een te luid Hilversum
of het ene Nederland dat
met zwart/wit testbeeld gebood
klaar te zitten
- later lachen met Kan -
in iedere huiskamer
de stille bloemenbos met ruis
rouwboeket voor tumtum
op spelletjesavond
voetbalkleumen langs het veld
windguur ijs berijpte adem op je sjaal.
alleen beeldsneeuw
en chips
het flatgebouw tegenover
honderdtwintig maal linksonder
beschermd hoeplanaakt
een jaar later onbekrast
een vallende Ard Schenk.
oooh, je voelde het komen,
zegt ze.
- in onze tv woonde Konijn -
het nieuwe jaar
voorspelbaar snel voorbij
de goede voornemens
met het oog op begin maar
kortzichtig naar het einde
alsof het leven opnieuw
te behalen is zoals
bij spelletjes op de pc
en de beste wensen hoor
zegt ze
als op een wenskaart
met belletjes goud
eeuwig groen sterren
en zilversneeuw en zo
in herinnering schommelend
oude nieuwe jaren
tussen prettig uiteinde en
goed begin al opgerookt
toenemend voorbij alsof
levensjaren te winnen zijn
met stoppen of starten
herhaald opnieuw, en
het weerbericht uit Nederland
stelt met zon gerust terwijl
wij snakken naar de regen.
dat blijft gewoon hetzelfde
elke dag opnieuw
zegt ze
en de pijn
|
 |
 |
winterpalet
Vervagend het straatbeeld
Somber en koud, eindeloos
Onzichtbaar in de zachte glans
Van besneeuwde nevel
Verduisterend de lucht
Zwart en koud, zonder einde
Ondoordringbaar wit van
Aanstormende sneeuwvlokken
Op de kale tak, bij het raam
Een bevoren duif, zwijgt
In het grijs van de kruin
Een dode vliegerstaart
Bedekkend de lauwgele vlek
Een hond mager en mismoedig
Stapt weg in snelwissende sporen
Sneeuwgordijn op mijn raam
Onaflatend de gure storm
IJzig en scherp, geselend
Jaagt glanzende strepen, glas
Doorzichtig onzichtbaar wit
Zal de zon de mist doorbreken?
Zullen er sterren staan deze nacht?
Zal de vuile smurrie smelten
Tot zwart water in riolen verdampen?
Zal de wind de geur van lente dragen
Nieuw leven jagen in de tuin met
Jong groen naar de zomer lachen,
Golven krullen op een lome rivier?
Verhullend mijn gedachten
Somber en verveeld, nat
De schittering van een traan
En waterstomende wolken
Heetdampend de groene thee
Wasemt natte mist op het tafelblad
Mijn hand doopt een koekje slap.
Er is niets anders te doen.
|
zonder titel
zoals je daar hing als aan je schouders
met geknakte nek,
op slappe voeten, naast je bed
stonden je sloffen klaar.
Ik dacht ik moet naar je kijken
maar ik bleef staan bij het raam
om niet te zien.
Aan de overkant, op driehoog
zwaaide een kind.
Ik dacht ik moet iets zeggen, want
je mompelde iets van
kom je nog.
Ik zwaaide terug.
|
 |
 |
tussen de rails
het zal een groene wei geweest zijn, zat van vocht en kou,
die langs het vuile raam het platte vlak doorvloog
op vlerken van dampende mest en bekroosde moddersloten
het zompig klompklossend boerenland verried
in de grauwgrijze mist
twee roerloze schapen bij een halfvergane brug
door de borstelwol een verfstreep - was rood –
een vluchtige schets een paar tellen maar
in het armzalig veld met wilgenstompen
stramme populieren op wacht naast
schurendaken hangend in een holle deuk
niet te herbouwen in het zoevend vlak een
rookpluim vlekkeloos in de afdruk van
een platgevlogen duif naast de sticker
met het rookverbod.
razendvele bielzen ontelbaar maar precies in aantal
naadloos op ritme gelegd in schone kiezelvelden
dwarsliggend op roestvlekken en oude oliesporen
alsof ze nooit van hout waren en nimmer
onderweg.
het zal mijn eindbestemming geweest zijn, nat en vuil en koud
die geluidloos passeerde door de somberende ruit
wegschietend in het schijnsel het vaalverlichte schemerland
krantenlezende nattejassenhoofden en koffiegeur en
kraakpapieren zakjes met niets dan dat tot het eindstation.
|
"Hof" Dichters
ze bouwen
uurgaans dagwerkmuren
- inwisselbaar -
van kluiten kwakken
en brokken struikelsteen
op koningsvoet of span
om hun goestinggaarden
van akker tot schepel
lopense morgen en hont
- verwisselbaar -
de voet de roede de dries
boeien ze wisse bunders
en verven stapeldriest
biest en beemdenbloed
op beknotte ellenzinnen
welgemeten schoren
over braakbladspiegel
naar onbeschreven
|
 |
| |
Wat zijn de wetten van de poëzie?
Poëtica
van Bloem,
De Glanzende Kiemcel van Vestdijk en
Wat af is, is niet gemaakt
van P.Valéry.
Wat af is, is niet gemaakt, zegt Paul Valéry (Bernlef-Valéry).
Een goed gedicht staat altijd aan het begin.
Een goed gedicht lees je steeds opnieuw.
|