|
|
|
|
|
pingpongvogeltje
pingpongvogeltje
vind ik leuker dan Tjielp
hoewel gezegd dat
alleen de beweging
geen geluid, vermoedelijk
getjielp, tjielp, tjielp!
wat anders kan hij tjielpen
dan tjielp wanneer hij
pong moet pingen
of zijn nest aanprijzen in
de sprong van een
boom die tjielp hier
tjielp daar, opzij
tak van tak op en
neer waar de eerste
poging tot nest is
maar hier en daar
nog weer een
nieuw begin voor
haar, zijn tjielp
zijn lief vliegt aan en
af en weer maar
lieve tjielp het is
klaar! leg je leg
er neer.
naar Winterkoninkje
Ivo van Strijtem (1953)
uit: De Lange Droomstraat (2008)
|
|
elk ander
ik heb het gezocht
geloof in gelovigen
ook al wist ik
niet waar
ik heb ze gezocht
omdat ze er waren
naast de liefde
voor waar
ik heb het gemis
verstaan in ontberen
en het talmen
met waar
ik heb het gebed
beproefd zonder einde
beramend de rede
onwaar
ik heb het gezien
het licht in de mensen
maakbaar op weg
naar daar
waar ruimte speelt
op grenzen zonder einde
tot de dood ons
elk ander toe
|
 |
| |
Le Beaujolais Primeur est arrivé!
om ieder jaar
op de derde donderdag
van november
grote
hoeveelheden
in de rekken te hebben
kun je je maar beter
niet
op de natuur verlaten. |
|
thuis
op deze nieuwe grond
halen onbelemmerd
verborgen huizen
en ongemeten heuvels
voor de geest
de herinnering
aan hoe het was
vanzelf, al
toevertrouwd
bij mijn eerste bezoek
|
 |
| |
balkon
ongepast uitgestoken
tot in de ramen van de buren
de vaalgrijze tong
met een rij gespleten tanden
die stroken met de stofplooien,
balustrade van gebroken latten
- de leuning treurt wat roest
op het kille stukje slaapaarde
tussen verveloze schuttingen
waarachter slome doeken
aan zondaglege lijnen
en het klagend fluiten
van een vergeten ketel-
meisje huivert achter het raam
een koude echo in de asemvlek
haar handje trekt een cirkel
met erin twee stippen
uit het loodgrijs lood
|
afgelegd
het pronkkleed daargelaten
gedacht nog
- bij de kapstok –
aan een andere opmaak
in het voorportaal
je armen wijd, even maar
en door je haren gestreken
is dat hoofd van jou?
je handen als lege zakken
je denkt nog
- met heimwee –
aan vertrekken, aarzel niet
je kop te verklinken
deuvelsdiep in pantserhuid
voordat je de ruimte begrenst
met donkere gordijnen
|
 |
|
|
bruggenhoofd
tussen de gewonde
wortels
van uiteengereten bomen
aan rivieren zonder genade
waar een bruggenhoofd
was geslagen
op overwonnen oever
wisten wij de doden achter ons
hun resten rustten
aan de kant van de weg
bijeengeraapt
in vluchtige graven
wij wisten ze daar
ontzield
ontbonden
weggeteerd
toch marcheerden zij
temidden van onze gelederen
|
het is slechts een herinnering
de gedachte aan je stem
die over heuvels en zeeën vloog
naar andere landen toen je
vreemde vruchten proefde
en opgewonden raakte
van smekende vrouwenogen
altijd een muntstuk in je hand
het was al een herinnering
bij je krantje kopen
en kopje koffie op de hoek
toen later vroeger werd
van samen naar de bioscoop
mijn tranen en jouw zakdoek
of elkaar zonder lakens
als kinderen
mijn lach, jouw barse stem
ik hoor je tred op de tegelvloer
het ritselen van de krant
je sleutelbos
je hand op het tafelblad
hoe scherp is dat beeld
ik telde je passen op de trap
doe net als jij de witte was
bij bont en moet lachen
bij die herinnering
alsof jij straks binnenstapt
zoals je in de deuropening stond
maar
ik strijk twee lakens en één sloop
en vouw ze warm
op de jouwe
onaangeroerd
naast
de drie lege planken
in de klerenkast
waar onder in
jouw schoenen
elke avond schommel ik,
jouw stoel schommelt zachtjes mee,
is het slechts een herinnering
de gedachte aan je stem
en
het strijken van
je laatste beddengoed
|
 |
| |
leegte
in de nacht heb ik mijn veren afgelegd
en mijn veren zijn tot dons geworden
waarin ik mijn lichaam heb gelegd
en ik voelde mijn lichaam niet meer
het lag vlokkig onder de sterren
en de sterren doofden in het maanlicht
dat zacht mijn huis bescheen
en ik woonde in een lege kamer
de nacht was wit
|
de pluk
donders!
rijpe taal
rijt zich van de stammen
en valt net
naast mijn mandje
|
 |
| |
onthaalop het kille marmer
- een oude koffievlek –
loop je op je sokken
omdat de bel gaat
naar de deur
je kijkt
winterschouders, das
niet opendoen, het is
je duwt de deur op vriestocht
- sneeuwvocht op de mat -
wat moet je?
- zijn vuile schoenen –
winterkraag, hoed
niet binnenlaten, het is
je zucht,
loop je terug met natte stappen
je moet wel
jas uit, winterhanden
vegen druppelijs
uit zijn baard of tranen
verlegen om
hij komt alleen maar
op de koffie
|
zonder titel
zoals je daar hing als aan je schouders
met geknakte nek,
op slappe voeten, naast je bed
stonden je sloffen klaar.
Ik dacht ik moet naar je kijken
maar ik bleef staan bij het raam
om niet te zien.
Aan de overkant, op driehoog
zwaaide een kind.
Ik dacht ik moet iets zeggen, want
je mompelde iets van
kom je nog.
Ik zwaaide terug.
|
 |
|
winterpalet
Vervagend het straatbeeld
Somber en koud, eindeloos
Onzichtbaar in de zachte glans
Van besneeuwde nevel
Verduisterend de lucht
Zwart en koud, zonder einde
Ondoordringbaar wit van
Aanstormende sneeuwvlokken
Op de kale tak, bij het raam
Een bevoren duif, zwijgt
In het grijs van de kruin
Een dode vliegerstaart
Bedekkend de lauwgele vlek
Een hond mager en mismoedig
Stapt weg in snelwissende sporen
Sneeuwgordijn op mijn raam
Onaflatend de gure storm
IJzig en scherp, geselend
Jaagt glanzende strepen, glas
Doorzichtig onzichtbaar wit
Zal de zon de mist doorbreken?
Zullen er sterren staan deze nacht?
Zal de vuile smurrie smelten
Tot zwart water in riolen verdampen?
Zal de wind de geur van lente dragen
Nieuw leven jagen in de tuin met
Jong groen naar de zomer lachen,
Golven krullen op een lome rivier?
Verhullend mijn gedachten
Somber en verveeld, nat
De schittering van een traan
En waterstomende wolken
Heetdampend de groene thee
Wasemt natte mist op het tafelblad
Mijn hand doopt een koekje slap.
Er is niets anders te doen.
|
|
 |
Wat zijn de wetten van de poëzie?
Poëtica
van Bloem,
De Glanzende Kiemcel van Vestdijk en
Wat af is, is niet gemaakt
van P.Valéry.
Wat af is, is niet gemaakt, zegt Paul Valéry (Bernlef-Valéry).
Een goed gedicht staat altijd aan het begin.
Een goed gedicht lees je steeds opnieuw.
|